Tijdens zijn rechtenstudie aan de voorloper van de Universiteit van Tilburg werd JACE (Jacobus, Antonius, Cornelis, Emanuel) van de Ven (Leende 1949) in 1975 parttime rechtbankverslaggever voor Het Nieuwsblad van het Zuiden. Van 1977 tot 2008 was hij journalist en kunstredacteur bij die krant en bij de opvolgers Het Nieuwsblad en het Brabants Dagblad. Hiervoor schreef hij vele artikelen, recensies en columns. Hij genoot veel aandacht met zijn column Putjesschepper, die jarenlang wekelijks in de krant verscheen. 
 

Daarnaast ontpopte Van de Ven zich als een veelzijdig poëzie­, proza­ en dramaschrijver. Hij publiceerde onder meer de volgende dichtbundels:

  • Mijn tragische ziekte en dood (1976)
  • Kroniek van verlangen (1984)
  • Een dagje aan/op/in het water (1988)
  • Bezijden de Noordstraat (1999)
  • De weg ernaartoe (2009)
  • Bromtol (2016)

Voor het toneel schreef Van de Ven:

  • De Volksopera Willem II (1992)
  • Sneeuwwitje en de Zeven Dwergen (met Willem van de Vrande1998)
  • De ark van Nowee (2005)

Van 1985 tot en met 2010 was hij betrokken bij alle edities van de Tilburgse Revue. In 1989 maakte hij een uitstapje naar het ‘tonpraoten’ en werd meteen opperleuterèèr van Tilburg. Van 2003 tot 2005 was hij de eerste Stadsdichter van Tilburg en in het kader daarvan werd in 2006 zijn dichtbundel Tilburger uit enthousiasme gepubliceerd. In hetzelfde jaar werd zijn gedicht Opdracht vormgegeven tegen een blinde gevel naast zijn woonhuis in de Noordstraat. In 2010 publiceerde hij met Rob van Trier en Jan Stads het boek Dagboekbroeders: drie kunsten in één. Van de Ven ontving in 1993 de Ad Vinkenprijs, in 2006 de Brabantse Dialectpenning en in 2009 ­als eerste ooit­ de gouden speld van de Tilburgse Revue. Hij nam in 2008 afscheid als journalist. In 2013 publiceerde hij dertien verhalen over zijn avonturen op de fiets onder de titel Mag ik nog wat wind van achteren? Momenteel werkt hij aan de eerste kinderrevue van Tilburg, Jong geleerd, oud gedaan, die in juni 2015 in première gaat.